Klantverhalen - NS Stations

Materiaal- en vakkennis is heel belangrijk bij het onderhoud van de 400 Nederlandse treinstations. Dit is in handen van NS Stations. Eelco Vinke, Regiomanager Noord en Vincent Horst, Adviseur Techniek bij NS Stations, vertellen hoe zij altijd maatwerk leveren.

Vinke: “Wij zijn qua onderhoud verantwoordelijk voor al het vastgoed van de stations. Van de zogenoemde kathedralen – de grootste stations – tot de kleine regionale stations met alleen een perron en standaard functionaliteiten. Het moet er schoon, ‘heel’ en veilig zijn, maar ook het bouwkundige deel is onze verantwoordelijkheid. In totaal werken wij verspreid over heel Nederland met 50 adviseurs, vakspecialisten, die verantwoordelijk zijn voor al het vastgoed van NS Stations en deels voor het vastgoed van Prorail. De gebouwen zijn van NS Stations en ProRail is verantwoordelijk voor de assets in de transferruimten en baaninfra. ProRail is dus eigenaar van de perrons en overkappingen, maar ook van bijvoorbeeld de liften en roltrappen om van de perrons af te komen. Wij hebben zelf deskundigen in dienst. Zij kennen hun gebouwen plus de materialen en moeten weten wat er bijvoorbeeld met een dak gebeurt. Onze adviseurs zijn de connectie tussen de markt en de materialen, maar ook aanspreekpunt voor de stationsmanagers en andere stakeholders.”

Beheer en onderhoud maken als aparte afdelingen onderdeel uit van Stations Vastgoed. Wanneer een compleet nieuw station gerealiseerd moet worden, zijn ook regionale overheden daarbij betrokken. NS Stations onderhoud toetst het ontwerp op de invloed die het heeft op beheer en onderhoud. “Vanuit onze organisatie is er een ontwikkelaar aangesloten die meekijkt vanuit de onderhoudskant. Samen met onze partner ProRail stellen wij het programma van eisen (PVE) vast waaraan zo’n nieuw station moet voldoen. Er worden gezamenlijke ambities opgesteld en deze worden weer getoetst aan het beleid. De aanbesteding en uitvoering verloopt vanuit Prorail en wij nemen het na oplevering in beheer. Dit is een constructieve en open samenwerking”, legt Horst uit.

Horst is als adviseur techniek verantwoordelijk voor het onderhoud van de buitenschil van -treinstations en is specialist op het gebied van daken en schilderwerk. Zowel bij renovatie als nieuwbouw wordt hij daarom betrokken in het proces. “De categorie waarin een station valt, bepaalt welke functionaliteiten een gebouw moet hebben. En dit hangt weer samen met het aantal in- en uitstappers op een station. Aan de hand van een sterrensysteem wordt jaarlijks getoetst in hoeverre de gebouwen en dus ook het dak aan onderhoud toe zijn. En daarbij wordt ook de meerjarenonderhoudsopgave bijgehouden”, vertelt Horst. 

Duurzaamheid van stations is ook een belangrijk thema. Vinke: “Alles wordt getoetst aan groen ondernemen. Niet alleen onze treinen rijden op groene stroom, ook stations worden op een zo duurzaam mogelijke wijze verwarmd. Uiteraard is het lastiger om een Rijksmonument als bijvoorbeeld Amsterdam Centraal energieneutraal te krijgen dan een nieuw gebouwd station zoals in Arnhem.”

NS Stations moet bij het onderhoud en dus ook de duurzaamheidsvisie met heel veel verschillende factoren rekening houden, want de dienstregeling gaat in principe altijd voor. Horst: “Wij kijken daarom tweeledig. Duurzaamheid versus bijkomende kosten en veiligheid. Materiaalkosten zijn daardoor vaak ondergeschikt. Wanneer bijvoorbeeld een dak moeilijk bereikbaar is en wij een buitendienststelling moeten aanvragen om daar wijzigingen aan te brengen, vergt dat een lange voorbereidingstijd. ‘s Nachts hebben wij drie tot vier uur de tijd om te werken, in die tijd kun je geen dak renoveren of zelfs vervangen.

Dat geeft ook de grote verschillen tussen de stations weer. Als je op een regionaal station werkzaamheden uitvoert aan het dak is dat geen probleem, maar achttien perronkappen herstellen op Utrecht Centraal, betekent een doorlooptijd van twee jaar. Ook kan er bijvoorbeeld niet met open vuur worden gewerkt, dat geeft veel te veel risico.”

Op veel daken ligt de RESITRIX® EPDM-dakbedekking. Volgens Vinke is de lange gebruiksduur die het heeft bij die keuze doorslaggevend. Productprijzen zijn niet leidend, Total Cost of Ownership wel. “Als een hogere investering in een dak(bedekking) uiteindelijk betekent dat de beheerlasten over tijd minder worden, dan beïnvloedt dat de keuze. Wij kiezen dan wat het verstandigste is om te doen”, legt hij uit. Horst vult aan: “Het dak op Amsterdam Centraal is het oudste dak met EPDM dat we in beheer hebben. Bij dit dak zijn door CARLISLE® een aantal grote monsters genomen om te kijken naar hoe de kwaliteit was na 37 jaar, bijvoorbeeld in elasticiteit. In eerste instantie zouden deze daken tussen de 35 en 40 jaar meegaan, later is dit opgeschoven naar 50 jaar.

Uit deze tests blijkt dat het dak nog minstens 10 jaar meekan. Dat betekent dat we in de meerjarenbegroting het onderhoud van het dak door kunnen schuiven. Elk jaar dat je erbij pakt, scheelt aanzienlijk in budget. Je praat ook over grote oppervlaktes. Bij Amsterdam Centraal gaat het om zo’n 26.000 vierkante meter.”